Kritiek hoogleraren op Bibob-onderzoek onterecht

Hoogleraren Zoontjens, Zwart en Brouwer spuiden afgelopen maand in de Volkskrant forse kritiek op het feit dat het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een Bibob-onderzoek was gestart naar het Islamitische Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. Die stap werd zelfs gekwalificeerd als een ‘bestuurlijke guerrillatactiek.’ De kritiek van de rechtsgeleerden is echter overtrokken en op punten onjuist.

AANLEIDING ONDERZOEK

De aanleiding voor het onderzoek van het ministerie was gelegen in een ambtsbericht van de AIVD waaruit zou blijken dat een bestuurder van de school banden heeft onderhouden met het aan IS gerelateerde Kaukasus Emiraat. Diezelfde bestuurder besloot vervolgens uit principiële redenen niet mee te werken aan het onderzoek: ”ik heb geen banden gehad met het Kaukasus Emiraat. Maar hoe kan ik dat bewijzen als er geen enkel bewijs van het tegendeel op tafel ligt.” De bestuurder vreest dat als hij wel meewerkt, hij vanwege het AIVD bericht niet door de Bibob-toets komt.

KRITIEK

De Tilburgse hoogleraar onderwijsrecht Paul Zoontjes noemt de inzet van het Bibob-instrument onwettig: “de bekostiging van onderwijs kun je alleen maar stopzetten als de inspectie vaststelt dat de kwaliteit van het onderwijs niet op orde is of als er te weinig leerlingen zijn. De Wet Bibob past totaal niet in het onderwijs.’” Tom Zwart, hoogleraar crosscultureel recht aan de Universiteit Utrecht, spreekt van ‘bestuurlijke stalking’ en stelt dat de overheid in deze casus continu probeert reputatieschade te veroorzaken bij de school, zonder dat er harde bewijzen liggen. Zwart heeft zijn twijfels bij het AIVD-bericht over de school. “Als ze iets zouden hebben gevonden, dan was het Openbaar Ministerie in actie gekomen, en dat is niet gebeurd.” De Groningse hoogleraar algemene rechtswetenschap Jan Brouwer stelt tenslotte : ‘Ik heb deze kwestie met twee collega’s van mijn universiteit en van de VU besproken en wij vinden dat dit absoluut niet kan.” Het ingrijpen met de Wet Bibob is in zijn ogen niet alleen juridisch onjuist maar ook politiek onverstandig als het doel van het kabinet is om polarisatie in de samenleving tegen te gaan.

BIBOB ONDERZOEK NIET ONRECHTMATIG

De hoogleraren stellen ten eerste dat het onderzoek onrechtmatig is. Dat is echter niet het geval. Volgens artikel 6 van de Wet Bibob kan een subsidie worden geweigerd bij een ernstig gevaar in de zin van artikel 3. Uit het derde lid van artikel 4:21 van de Awb blijkt dat de subsidietitel van overeenkomstige toepassing is op de bekostiging van onderwijs en onderzoek. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beschouwt onderwijsbekostiging als een subsidie. Daarmee valt de financiële bijdrage aan het Cornelius Haga Lyceum onder het bereik van de Wet Bibob en is er een grondslag voor het Bibob-onderzoek.

De meeste overheidsinstanties die de Wet Bibob toepassen hebben daartoe beleid gemaakt. Daarin wordt geregeld in welke gevallen een onderzoek wordt gestart. Het ministerie van OC&W heeft dergelijk beleid niet en zal dus bij de rechter moeten kunnen motiveren waarom men in dit geval het Bibob-instrument heeft ingezet. Dat lijkt ons niet erg ingewikkeld; het ambtsbericht van de AIVD is meer dan voldoende aanleiding. Dat bericht kan erop duiden dat de bestuurder een relatie onderhoudt met personen die strafbare feiten plegen of daarvan worden verdacht. Afhankelijk van de aard van die relatie, kunnen die personen onderdeel worden van het onderzoek. Het Bibob-onderzoek dient er juist (onder andere) toe om de relaties in de zin van artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob in kaart te brengen. Alle reden dus om een onderzoek te starten. De opmerking van hoogleraar Zwart over het feit dat het OM niet in actie is gekomen (wij begrijpen: richting de school zelf), is dan ook niet relevant. Is er een relatie tussen de school en personen die wel verdacht worden van een strafbaar feit, dan wegen die verdenkingen mee in het Bibob-onderzoek.

BIBOB ONDERZOEK NIET STIGMATISEREND

Volgens de hoogleraren probeert het ministerie reputatieschade te veroorzaken bij de school en werkt de start van het onderzoek polariserend. Als wij de berichten goed lezen, dan is het echter niet het ministerie, maar de school zelf die het Bibob-onderzoek in de media heeft gebracht. Alleen om die reden al valt niet in te zien waarom reputatieschade het doel van het Bibob-onderzoek zou zijn. Daarnaast moet de impact van de start van het Bibob-onderzoek niet overschat worden. Dat deel van het onderzoek bestaat slechts uit het uitreiken van de zogenaamde Bibob-vragenlijst. Daarmee wordt de betrokkene gevraagd om inzicht te verschaffen in de financiering en de zeggenschapsstructuur van -in dit geval- de school en wordt verzocht aan te geven of de bestuurders een strafrechtelijk verleden hebben. In sommige branches (bijvoorbeeld horeca) is een dergelijk onderzoek in veel gemeenten standaard onderdeel van de procedure, dus ook zonder concrete aanleiding. Niet valt in te zien waarom de start van dit onderzoek stigmatiserend is.

TOT SLOT

De vrees van de schoolbestuurder dat hij de Bibob-toets niet doorstaat vanwege het ambtsbericht alleen is ongegrond. Daartoe zijn tenminste concrete verdenkingen van strafbare feiten nodig jegens hemzelf of jegens een persoon tot wie de school in relatie staat. De school moet naar onze mening wel vrezen dat de minister de aanvraag buiten behandeling laat, indien men daadwerkelijk weigert de gevraagde informatie te verstrekken. De kans is groot dat de rechter de minister vervolgens in het gelijk stelt. Dan komt de school, zo blijkt uit het artikel in de Volkskrant, in grote financiële problemen en kan het personeel mogelijk niet worden uitbetaald. Principes mogen kennelijk wat kosten.

RECHTSTREEKS BIBOB-TIPS EN JURISPRUDENTIE ONTVANGEN IN UW MAILBOX?

Meld u zich dan onderaan onze site aan. U ontvangt dan bovendien gratis een voorbeeld Bibob-besluit, met een modeltekst en meer dan tien handige tips