Wijziging Wet Bibob (2): probleem opgelost

Donderdag 12 april is het voorstel tot wijziging van de Wet Bibob gepubliceerd.  Dit is uiteraard nog geen wet. Zo volgt er een consultatieronde, zal de Raad van State advies uitbrengen en  moet het voorstel nog door beide kamers worden aangenomen. Wij bespreken echter nu alvast de belangrijkste punten uit het wetsvoorstel. Vandaag gaan we in op een oplossing voor een door de rechter gecreëerd probleem. 

Dat probleem heeft betrekking op de gevolgen van het niet aanleveren van informatie door de betrokkene. Het verzamelen van informatie over de zakelijke omgeving van die betrokkene vormt een belangrijk onderdeel van een Bibob-onderzoek. Het Bibob-instrument beoogt immers schijnconstructies te voorkomen en geeft daarom de mogelijkheid om antecedenten van bijvoorbeeld vermogensverschaffers in het onderzoek te betrekken en aan de betrokkene tegen te werpen. Om dat te kunnen doen, dient uiteraard eerst te worden vastgesteld wie die vermogensverschaffers zijn. Daartoe heeft zowel het bestuursorgaan (op grond van het eerste en derde lid van artikel 30 Wet Bibob) als het Landelijk Bureau Bibob (op grond van artikel 12, vierde lid Wet Bibob) de bevoegdheid om de betrokkene daarover te bevragen. Antwoordt de betrokkene niet of niet afdoende, dan loopt hij het risico geen vergunning te krijgen of dat een ooit verleende vergunning wordt ingetrokken. 

De consequentie van het niet aanleveren van informatie, hangt af van 1) het stadium van het onderzoek (nog bij de gemeente of al bij het LBB) en 2) de vraag of het een aanvraag dan wel een verleende vergunning betreft. In een eerdere bijdrage hebben wij de consequenties op een rij gezet. 

In dezelfde bijdrage zijn wij ingegaan op een wat merkwaardige uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde kort gezegd dat wanneer de betrokkene weigert informatie te verstrekken aan het LBB in het kader van een onderzoek naar een vergunningaanvraag, dit niet kan leiden tot een ernstig gevaar conclusie en een weigering van de aanvraag op grond van artikel 4, tweede lid van de Wet Bibob. De Afdeling leek te suggereren dat het bestuursorgaan de aanvraag buiten behandeling had moeten laten, met alle problemen van dien.

Hoewel de wet op dit punt weliswaar niet voldoende duidelijk was, had de Afdeling op basis van de toelichting op artikel 12 naar onze mening anders moeten oordelen, al was het maar omdat de uitspraak de praktijk met een behoorlijk uitvoeringsprobleem opscheepte en de betrokkene geen betere rechtsbescherming bood. Om die reden schreven wij dat de minister er goed aan zou doen de wet op dit punt aan te passen dan wel te verduidelijken.

In het huidige wetsvoorstel wordt nu inderdaad geregeld dat de weigering om informatie te verstrekken aan het LBB in de genoemde situatie tot een ernstig gevaar conclusie leidt. Daarmee kan de vergunningaanvraag worden geweigerd. De ministers verlossen de praktijk zo van een ingewikkeld uitvoeringsprobleem.