Wijziging Wet Bibob (3): ruime bevoegdheid voor LBB om aanvragen te weigeren

Donderdag 12 april is het voorstel tot wijziging van de Wet Bibob gepubliceerd.  Dit is uiteraard nog geen wet. Zo volgt er een consultatieronde, zal de Raad van State advies uitbrengen en  moet het voorstel nog door beide kamers worden aangenomen. Wij bespreken echter nu alvast de belangrijkste punten uit het wetsvoorstel. In deze bijdrage gaan we in op de nieuwe mogelijkheid voor het Landelijk Bureau Bibob om adviesaanvragen niet in behandeling te nemen. 

De ministers merken in de toelichting op het wetsvoorstel (pagina 5) op dat het Bibob-onderzoek een verstrekkend middel is, waarvan niet lichtvaardig gebruik gemaakt mag worden. Zij voegen daaraan toe dat er in de huidige wet niets geregeld is over de gevallen waarin de gemeente het LBB om advies mag verzoeken en merken op dat dit in de huidige praktijk onderwerp is van goed overleg tussen het LBB en gemeenten. Met het nieuwe zesde lid van artikel 9 wordt de praktijk nu ook formeel duidelijkheid geboden. Daarin is bepaald dat het LBB mag besluiten adviesaanvragen niet in behandeling te nemen, indien: 

  1. de gemeente de gegevens van het eigen onderzoek niet aan het LBB heeft verstrekt;
  2. de gemeente onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden tot het verrichten van het eigen onderzoek, en
  3. uit het eigen onderzoek onvoldoende blijkt dat er sprake is van enig gevaar. 

 

Bepaling te ruim geformuleerd

Dat het LBB de mogelijkheid moet hebben om bij wijze van uitzondering evident onredelijke adviesaanvragen niet te behandelen, is niet onlogisch. De bepaling is naar onze mening echter veel te ruim geformuleerd. Dat geldt met name voor het tweede en derde onderdeel ervan (onvoldoende eigen onderzoek en geen sprake van enig gevaar). 

 

Gemeente maakt onvoldoende gebruik van mogelijkheden tot het verrichten van het eigen onderzoek

Volgens de toelichting kan pas een adviesaanvraag worden gedaan, als de gemeente de mogelijkheden van het eigen onderzoek voldoende heeft benut. Dat betekent volgens de ministers niet dat alle onderzoeksmiddelen moeten zijn ingezet. Wel kan het LBB gemeenten verzoeken om alsnog bepaalde bronnen te raadplegen. Het doel achter dit verzoek is volgens de toelichting dat de gemeente vervolgens eventueel zelf kan concluderen dat er sprake is van een ernstig gevaar. Deze toelichting roept echter nogal wat vragen op:

  • wordt van gemeenten daadwerkelijk verwacht dat zij zelf de conclusie over het gevaar vaststellen? Als dat het geval is, onderschatten de ministers naar onze mening de complexiteit van het Bibob-instrument voor kleinere gemeenten of gemeenten die weinig ervaring hebben met de Wet Bibob; 
  • hoe verhoudt dit onderdeel zich tot de beperkte uitbreiding van de informatiepositie van gemeenten? Het wetsvoorstel lijkt op twee gedachten te hinken: gemeenten moeten enerzijds zoveel mogelijk zelf het gevaar kunnen vaststellen, maar dat anderzijds wel doen op basis van een onvolledig beeld over de betrokkene en zijn zakelijke omgeving; 
  • hoe zet het LBB deze bevoegdheid in in tijden van drukte? Kan dit onderdeel worden gebruikt om adviesaanvragen (tijdelijk) af te houden of de instroom te reguleren?
  • hoe bepaalt het LBB welke bronnen de gemeente had moeten raadplegen? Enerzijds melden de ministers dat niet alle onderzoeksmiddelen hoeven te worden gebruikt, anderzijds kan het LBB wel verzoeken om bepaalde middelen in te zetten. Daarmee lijkt de toelichting innerlijk tegenstrijdig;
  • hoe werkt de bepaling door op de beslistermijn van de gemeente? Het ligt voor de hand dat als het LBB de aanvraag niet in behandeling neemt, die beslistermijn doorloopt. Ook in de periode die het LBB nodig heeft om te beoordelen dat de gemeente nader eigen onderzoek moet verrichten. 

 

Uit eigen onderzoek blijkt onvoldoende van enig gevaar

Het derde onderdeel van de bepaling zorgt ervoor dat het LBB kan afzien van advisering, indien uit het eigen onderzoek onvoldoende blijkt dat er sprake is van enig gevaar. Ook dit onderdeel roept weer vragen op:

  • wat wordt verstaan onder enig gevaar en waaruit moet dit gevaar blijken?
  • dient er concrete opsporingsinformatie te bestaan over de betrokkene of zijn Bibob-relaties? Of kan er al sprake zijn van enig gevaar, indien zich een aantal indicatoren voordoet uit de indicatorenlijst die op de website van het LBB is gepubliceerd? 
  • hoe interpreteert het LBB de bepaling als er in een concreet geval geen sprake is van enig gevaar (wat dat ook moge betekenen), maar in zijn algemeenheid wel sterke aanwijzingen bestaan van criminele inmenging in een bepaalde branche, zoals mensenhandel in de prostitutie. Vanuit bestuurlijk oogpunt kan het dan wenselijk zijn advies aan te vragen, al is het maar om misstanden zoveel mogelijk uit te sluiten. Juist vanwege de beperkte informatiepositie van gemeenten kan een adviesaanvraag in dergelijke gevallen naar onze mening gerechtvaardigd zijn, ook als er op voorhand geen sprake is van enig gevaar;
  • geeft de bepaling het LBB niet de mogelijkheid om op de stoel van het lokale bestuur te gaan zitten? Het is juist dat bestuur dat alle belangen kan overzien en de wenselijkheid van een adviesaanvraag het beste kan beoordelen.  Het bestuursorgaan zal uiteindelijk een goed gemotiveerd besluit moeten nemen, waarbij het LBB niet meer (en zeker ook niet minder) is dan een deskundige adviseur. 

 

LBB als toezichthouder op gemeenten

De ruime formulering van deze bevoegdheid is niet zonder problemen. Ten eerste verschuift de rol van het LBB van onafhankelijk adviesorgaan naar een soort toezichthouder op het werk van de gemeente. Dit kan de relatie tussen het LBB  en gemeenten onnodig onder druk zetten, ook al omdat de gemeente verplicht is de betrokkene voorafgaand aan de adviesaanvraag te notificeren. Blijkt het LBB de aanvraag niet in behandeling te nemen, dan zal de gemeente dit bericht terug moeten nemen en gezichtsverlies lijden.  Ten tweede is  een dergelijke toezichthoudende rol niet nodig. Er bestaat immers al een toezichthouder: de rechter. Meent de betrokkene dat de gemeente geen adviesaanvraag had mogen indienen, dan kan hij die aanvraag in kort geding proberen tegen te houden. Tenslotte kan het LBB bij een te ruime toepassing van de bepaling de eigen positie uithollen. Men loopt het risico dat gemeenten alleen nog aankloppen in die gevallen waarin ze de informatie niet kunnen verkrijgen, maar voor het overige zoveel mogelijk zelf afdoen. Het is de vraag of de praktijk gebaat is bij een dergelijke 'decentralisatie' van de beoordeling van het gevaar. De advisering van het LBB zorgt tenslotte ook voor een zekere uniformiteit en voorspelbaarheid voor de betrokkene. Nu het wetsvoorstel niet duidelijk maakt om hoeveel  'probleemgevallen' het per jaar gaat, lijkt het middel vanwege de ruime formulering van de bepaling dan ook erger dan ook de kwaal.

 

 

RECHTSTREEKS BIBOB-TIPS EN JURISPRUDENTIE ONTVANGEN IN UW MAILBOX?

Meld u zich dan onderaan onze site aan. U ontvangt dan bovendien gratis een voorbeeld Bibob-besluit, met een modeltekst en meer dan tien handige tips